Bert Bokhoven over de kunst van het dom zijn
Tjonge jonge, heb je dat nu ook Bert ? Je komt voortdurend allerlei mensen tegen die het allemaal zo goed begrijpen. Ik word er bepaald niet bien van. Al die onzin van mensen die tot allerlei, veelal volstrekt willekeurige conclusies komen. Soms wetenschappelijk onderbouwd, beweren zij. Het wemelt van de deskundigen. Elk praatprogramma zit er vol mee. Hoe is het toch mogelijk dat we ooit zonder deskundigen hebben kunnen leven. Maar toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat hier sprake is van gecamoufleerde domheid in optima forma.
In de hoop enige helderheid te krijgen in de brei van deskundigheidsaanbiedingen dacht ik maar weer eens langs te gaan bij Bert Bokhoven, de onbekende filosoof. Bert met zijn welhaast ongeëvenaarde inzicht in ’s mensens motieven en beweegredenen. Bert had bovendien de merkwaardige eigenschap dat hij mijn enigszins chaotische gedachten altijd weer in de richting van een soort convergentie wist te duwen. Vandaar dus. Als het ware.
Ik vertelde hem wat mij dwarszat. Bert luisterde aandachtig. Hij zei niets. Dat deed hij vaker wanneer hij iets belangrijks te zeggen had. Na een tijdje keek hij mij aan. ‘Hou in gedachten,’ begon Bert, ‘dat als je dood bent, je dat zelf niet weet. Het is alleen pijnlijk voor je omgeving.’
Hij nam een slok van zijn inmiddels koude koffie. ‘Bij beperkte mensen is domheid onbeperkt. Dat zie je vooral in praatprogramma’s. Daar zitten allerlei figuren over van alles mee te praten zonder dat ze er ook maar enig verstand van hebben. U kent ze vast wel.’‘Zeker,’ zei ik. ‘Toch?’ ‘Toch.’
Vele van mijn vrienden hadden inmiddels ook over het fenomeen domheid nagedacht, vervolgt Bert. Mijn goede vriend Einstein bijvoorbeeld. Einstein merkte ooit op dat twee dingen oneindig zijn: het universum en de menselijke domheid. En over het universum was hij nog niet helemaal zeker. ‘Een rake observatie,’ zei Bert. ‘Maar niet helemaal wetenschappelijk sluitend,’ merkte ik op. ‘Dat hoeft ook niet. Het is een uitspraak over domheid.’ Dat leek mij logisch.
‘Mijn vriend Bonhoeffer heeft ook interessante dingen over domheid geschreven. Het probleem met domheid is dat het vaak hand in hand gaat met macht. Zodra macht zich sterk manifesteert in de publieke sfeer — politiek, religieus of anderszins — lijkt een groot deel van de mensheid met domheid besmet te raken.’ ‘Dus macht maakt mensen dom?’ ‘Nee,’ zei Bert. ‘Macht maakt zichtbaar wat er al zat.’ Dat vond ik een verontrustend antwoord.
Tah, verzucht Bert. Dan heb je nog de moedwillige, kwaadaardige domheid. Personen. die beter weten maar onwetendheid pretenderen als zij meningen verkondigen die in strijd zijn met de werkelijkheid. Puur om hun eigen doelstellingen te realiseren.
Bert zette zijn kopje neer. ‘Veel gevaarlijker is domheid uit onwetendheid. Daar speelt het Dunning-Kruger-effect een rol.’ Ik wist inmiddels dat ik beter niet kon doen alsof ik wist wat dat betekende. Dus vroeg ik: ‘Wat is dat precies?’ Bert glimlachte. ‘Kijk. Je stelt nu een vraag. Dat is verstandig.’‘Dank u.’ ‘Het Dunning-Kruger-effect beschrijft het merkwaardige verschijnsel dat mensen met weinig kennis hun eigen capaciteiten nogal eens overschatten, terwijl deskundigen hun vaardigheden juist kunnen onderschatten.’ ‘Dus hoe minder je weet, hoe zekerder je soms bent?’ ‘Precies. Overdreven zelfverzekerdheid bij gebrek aan kennis. Geen zelfreflectie. Niet kunnen overzien wat je niet weet en al helemaal niet wat de gevolgen van je handelen kunnen zijn.’ ‘Dat klinkt gevaarlijk.’ ‘Dat is het ook.’ Hij keek mij ernstig aan.
Bert zweeg even. ‘Denk maar eens aan Trump,’ zei hij. Ik zei niets. Bert ook niet. Sommige voorbeelden hebben geen verdere uitleg nodig. Hij leunde achterover. ‘Zelfdestructieve domheid bedreigt ons dagelijks en vormt misschien wel de grondslag van onze beschaving. Juist omdat we voortdurend het gevaar lopen aan onze eigen domheid ten onder te gaan, zijn we gedwongen intelligentie te ontwikkelen om ermee om te gaan.’ ‘Dus domheid heeft ons eigenlijk vooruit geholpen?’ ‘Hoe dan?’ ‘Heel eenvoudig.’ Hij vertelde over de man die een elektrische zaag gebruikte om een dikke tak van een boom door te zagen. De man wist precies hoe de zaag werkte. Hij kende de techniek. Hij wist waar hij moest zagen. Hij bereikte uiteindelijk precies wat hij wilde: de tak viel naar beneden. Alleen stond hij aan de verkeerde kant van de tak. Hij viel mee. ‘Technisch gezien,’ zei Bert, ‘was zijn handeling dus een succes.’ ‘Maar praktisch niet.’ ‘Precies. En dat is misschien wel de kern van het hele probleem.’
Bert pakte zijn kop koude koffie weer op. ‘Maar er is nog een aardige ontsnappingsroute.’ ‘Welke?’‘ Als je een domme vraag stelt en je herhaalt hem daarna nog een keer, ben je plotseling een komiek.’ Ik moest lachen. ‘Dus je kunt jezelf altijd nog redden?’ ‘Bijna altijd.’ Ik keek naar Bert. Bert keek naar mij. Er viel een stilte waarin ik mij ineens afvroeg hoeveel van mijn eigen vragen eigenlijk dom waren geweest. Bert leek mijn gedachten te kunnen lezen. ‘Maak je geen zorgen,’ zei hij. ‘Waarom niet?’ ‘Omdat u waarschijnlijk niet de enige bent.’
Of tenminste… Dat dacht ik.
Peter Tersteeg