Bert Bokhoven over een goed mens
Op de vraag: “Wat wil je later worden?” antwoordde mijn nichtje Feline, 10 jaar oud: “Een goed mens.”
Kijk. Daar word je als volwassene toch even stil van. Een kind van tien zegt iets waarvan de meeste volwassenen eerst een managementtraining van drie dagen nodig hebben om het enigszins overtuigend te kunnen formuleren.
Wij zeggen tegenwoordig liever: “Persoonlijk wil ik mij de komende jaren verder ontwikkelen richting een betekenisvolle en duurzame invulling van mijn persoonlijke potentieel.” Feline zegt gewoon: “Een goed mens.” Klaar. Bijna verdacht, want zo'n antwoord krijg je meestal alleen van kinderen van tien en van mensen die een retraite in Zuid-Frankrijk achter de rug hebben.
En dus dacht ik: dit moet ik eens voorleggen aan mijn goede vriend Bert Bokhoven, de onbekende filosoof.
Bert Bokhoven: een groot man. Een briljant denker. Een uitmuntend filosoof. Bert zelf heeft daar overigens nooit veel van gemerkt. En misschien is dat juist een teken van zijn genialiteit. Grote denkers weten immers dat ze groot zijn, maar echte grote denkers weten dat ze groot zijn en doen vervolgens alsof ze dat niet weten. Bert deed helemaal niets. Dat scheelt een hoop gedoe.
Bert is een man van eenvoudige gewoonten, maar met een geest die de diepten van het bestaan verkent zoals maar weinig mensen dat kunnen. Hij observeert, contempleert en zoekt onvermoeibaar naar de kern van de menselijke ervaring. Hij eet, drinkt, kijkt, luistert en denkt. Niet noodzakelijkerwijs in die volgorde. Zijn geest daarentegen beweegt zich op terreinen waar normale mensen liever niet komen zonder routeplanner. Meestal gewoon zittend aan de keukentafel, met een kop koffie. Want ook de diepste levensvragen worden uiteindelijk meestal aan een keukentafel besproken.
Bert’s eerste reactie op Feline’s antwoord was: “Ontwapenend.” Dat klonk meteen behoorlijk filosofisch. Dat is Bertiaans voor: ik vind dit buitengewoon interessant, maar ik ga nu eerst ongeveer twintig minuten zwijgen om iedereen te laten merken dat ik erover nadenk. De vraag “wat is een goed mens?” was dan ook aan Bert wel besteed.
Bert vond het een prachtig voorbeeld van hoe puur en eenvoudig kinderen nog kunnen denken. Een kind van tien heeft immers nog een heel leven voor zich en kijkt vol vertrouwen naar de toekomst. Ze heeft nog geen idee wat haar allemaal te wachten staat. En dat is misschien maar goed ook.
De toekomst is één groot avontuur. Je kunt nog alles worden. Astronaut. Dierenarts. Voetballer. Influencer. President. Of dus: een goed mens. Daarna komt de werkelijkheid. Dan begint de ellende. Je ontdekt dat niet iedereen aardig is. Dat mensen liegen. Dat mensen elkaar bedriegen. Dat sommige mensen drie parkeerplaatsen nodig hebben voor één auto. Je ontdekt dat de wereld ingewikkeld is. En vooral: dat jijzelf ingewikkeld bent. Want een goed mens zijn is nog niet zo eenvoudig. Oprecht zijn. Eerlijk zijn. Authentiek zijn. Compassie hebben. Klinkt prachtig. Maar probeer dat maar eens vol te houden als iemand vlak voor je bij de kassa voordringt. Dan verdwijnt je compassie ineens als sneeuw voor de zon. Dan denk je niet “Deze persoon zal ongetwijfeld een moeilijke jeugd hebben gehad.” Nee. Dan denk je: “Ik hoop dat u thuis ook altijd aan beide kanten van het bed uit bed valt.”
Dus wat is eigenlijk een goed mens? Dat is een interessante vraag. En daar komt mijn oude vriend Aristoteles om de hoek kijken. Natuurlijk. Want als er ergens een eenvoudige vraag wordt gesteld, staat Aristoteles klaar om hem ingewikkeld te maken. Aristoteles zegt ongeveer: je moet eerst weten wat het doel van iets is om te kunnen bepalen of het goed is. Een goede hamer is een hamer waarmee je een spijker in de muur kunt slaan. We weten het doel van een koelkast. Koelen. We weten het doel van een wasmachine. Wassen. We weten het doel van een afstandsbediening. Verdwijnen op het moment dat je hem nodig hebt. Maar de mens? Geen idee. Kinderen krijgen misschien. Gelukkig worden misschien. De wereld verbeteren misschien. Zoveel mogelijk geld verdienen misschien. Misschien een keer rustig een parkeerplaats vinden. Een goed mens is dus iemand die goed voldoet aan het doel van de mens. Prima.
Maar, wat is het doel van de mens? Daar wordt het stil. Niemand weet het. Aristoteles had daar natuurlijk ook weer een antwoord op. Een goed mens gebruikt zijn mogelijkheden en talenten optimaal. Ook mooi. Maar dan krijg je weer een probleem. Wat doe je met iemand die een enorm talent heeft voor liegen? Moet die dat talent benutten? En iemand die buitengewoon goed kan manipuleren? Ook een talent. En iemand die heel overtuigend kan doen alsof hij luistert? Een zeldzaam talent. Moet die dat ontwikkelen?
Je kunt dus niet zomaar zeggen: “gebruik je talenten.” Want sommige mensen hebben talenten waar de samenleving best zonder kan. Neem bijvoorbeeld de talentvolle vergadertijger. Die kan drie kwartier praten zonder één inhoudelijk punt te maken. Geen uitzonderlijke gave als we naar vele politici kijken. Maar geen talent dat we per se verder hoeven te ontwikkelen.
Bert had daar natuurlijk ook geen sluitend antwoord op. En toen vertelde hij me een verhaal. Een verhaal over de hemel. Een man overlijdt. Zijn hele leven heeft hij keurig geleefd. Nooit gestolen. Nooit bedrogen. Nooit iemand vermoord. Altijd netjes. Altijd oppassend. Een voorbeeldig mens. Bij zijn uitvaart wordt hij de hemel in geprezen. En terecht. Hij hoort het allemaal tevreden aan. Hij denkt: “Dat gaat lekker.” Dan komt hij bij de hemelpoort. En wat blijkt? Er is een toelatingscommissie. Een soort hemel-IND. Natuurlijk. Zelfs in de hemel is er een commissie. Dat krijg je als je Nederlanders binnenlaat.
De commissie beoordeelt zijn dossier. Ze vergaderen. Ze overleggen. Ze maken waarschijnlijk een PowerPoint. En uiteindelijk komt het advies: niet toelaten. De man is verbijsterd. Hij gaat naar Petrus. “Maar waarom?” Petrus kijkt in het dossier. “De commissie vindt dat u niet gelukkig en betekenisvol genoeg hebt geleefd.” De man schrikt. “Maar ik heb altijd netjes geleefd!” “Dat klopt.” “Ik heb niemand kwaad gedaan!” “Dat klopt.” “Ik ben een goed mens!” “Dat is het probleem niet.” “Wat dan wel?” Petrus kijkt hem aan. “U heeft vooral niets fout gedaan.” De man begrijpt het niet. Petrus legt het uit. “U heeft uw mogelijkheden niet optimaal benut.” En dan barst de man uit: “maar als iedereen zo beoordeeld wordt, komt er toch helemaal niemand de hemel in?” Petrus: “Dat klopt.” “Dus wat gebeurt er dan?” Petrus legt zijn dossier weg. “Er komt hier helemaal niemand binnen. ”De man kijkt om zich heen. “Maar… waarom niet?” Petrus: “omdat er helemaal geen hemel is.”
Stilte.
“De hemel was waar u vandaan kwam.” En dan valt het kwartje. Of liever gezegd: het valt bijna. Want sommige mensen hebben voor een kwartje meer tijd nodig. De hemel is niet iets waar je naartoe gaat. De hemel is iets wat je zelf maakt. Of niet. Met elkaar. Voor elkaar. Tijdens je leven. En tegen de tijd dat je bij Petrus staat, kun je het niet meer repareren. Dat is dus het verhaal.
Bert kijkt me aan. Ik kijk Bert aan. We zwijgen. Dan zegt Bert: “tja.” Ik wacht. Er komt niets. Ik denk: dit is het. De conclusie. De grote filosofische ontknoping. Aristoteles. De hemel. De zin van het leven. En dan zegt Bert: “ik weet het ook niet.” En daar was ik eigenlijk wel blij mee. Want als Bert na al die filosofie ineens had gezegd: “de mens moet zijn existentiële authenticiteit realiseren binnen een teleologisch verantwoord deugdethisch kader,” dan had ik hem waarschijnlijk gevraagd of hij nog koffie wilde. Maar hij zegt: “Ik weet het ook niet.” En misschien is dat wel het eerlijkste antwoord. Want ondanks duizenden jaren filosofie weten we nog steeds niet precies wat een goed mens is. Maar misschien hoeft dat ook niet. Misschien weten we het eigenlijk best. Als iemand verdriet heeft, help je. Als iemand valt, raap je hem op. Als iemand honger heeft, geef je hem eten. Als iemand alleen is, ga je erbij zitten. Als iemand iets goed doet, zeg je het. En als iemand met een winkelwagentje dwars voor het schap staat terwijl jij erlangs wilt: dan adem je diep in. Heel diep. En zeg je: “pardon.” Hoewel je innerlijk natuurlijk al drie alternatieve religies hebt opgericht waarin deze persoon eeuwig wordt gestraft. Maar je zegt: “pardon.” Misschien is dat goed genoeg. Niet perfect zijn. Maar proberen. Een goed mens zijn is misschien niet iemand die altijd het goede doet. Misschien is het iemand die steeds opnieuw probeert het goede te doen. En dan is het antwoord van Feline eigenlijk helemaal niet kinderachtig. Het is misschien wel het meest volwassen antwoord dat je kunt geven.
“Wat wil je later worden?” “Een goed mens.” Tien jaar oud. En wij maar moeilijk doen. Wij lezen Aristoteles. Wij lezen Nietzsche. Wij lezen Kant. We volgen podcasts. We doen mindfulness. We schrijven onze waarden op een whiteboard. We maken een persoonlijk ontwikkelingsplan. En Feline zegt: “Een goed mens.” Klaar. Ik zou zeggen: luister naar dat kind. Want als Feline gelijk heeft, hoeft de hemel misschien helemaal niet boven ons te liggen. Misschien moeten we hem gewoon hier beneden een beetje proberen te maken. Met een beetje eerlijkheid. Een beetje humor. Een beetje compassie. En af en toe gewoon iets aardigs doen zonder dat je het op Instagram zet. Want misschien is dat uiteindelijk alles. En als er dan tóch een hemelcommissie bestaat? Dan hoop ik dat ze een beetje soepel zijn.
Want met mijn dossier… wordt het een lastig gesprek.